Posts tonen met het label richtlijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label richtlijn. Alle posts tonen

zondag 31 januari 2010

Vermogensetikettering en een nieuwe richtlijn

Er is aan het einde van het vorige jaar een richtlijn verschenen, die ingaat per 1-1-2011. Aangenomen mag worden dat de regels die zijn opgenomen in deze richtlijn, worden meegenomen in het volgende belastingplan. De richtlijn zou alleen betrekking hebben op een paar technische aanpassingen, maar bevat ook nieuwe bepalingen die betrekking hebben op de vermogensetikettering in de BTW. Met name lijken ze gevolgen te gaan hebben voor woningen, waarvan de BTW is of wordt terug gevraagd. In de lezing van volgende week gaan we onder meer in op deze nieuwe richtlijn. Het heeft er alle schijn van dat de mogelijkheid van vermogensetikettering in de BTW voor een belangrijk deel aan banden wordt gelegd....

dinsdag 30 juni 2009

Integratieheffing in het nieuws

Tsjonge, die integratieheffing van 3-3-b houdt de gemoederen opeens heel erg bezig. Nu heeft het Hof Den Haag uitgesproken dat de bepaling deels strijdig is met de Richtlijn en op dat punt onverbindend verklaard moet worden. Het gaat om een heel belangrijk punt, namelijk de zinsnede ‘waaronder grond is begrepen’. Het gaat om de oude 3-1-h-bepaling en de Zesde Richtlijn. De vernummering van beide (!) verandert niets aan het oordeel. De redenering van het Hof is een hele gecompliceerde. Het stond niet in de wet en is er ingekomen bij de invoering van de Zesde Richtlijn. De wet werd toen aangepast. Volgens de toelichting op de Richtlijn zou de integratieheffing hier niet bedoeld zijn. In feite zegt het Hof dat het equivalent van 3-1-c bedoeld is, waarmee 3-1-h niet meer bedoeld kan zijn. Ik dacht dat de 3-1-h- ook voor de invoering van de Zesde Richtlijn werkte zoals die werkte. Dan zou je je kunnen afvragen of het niet een afwijking is die mag blijven, vanwege het feit dat de afwijking al voor de invoering van de richtlijnen zo bestaat. Het feit dat daartoe de wet is aangepast, lijkt mij daar niet aan afdoen. De werking is gelijk gebleven, daar gaat het om. Ook moeite heb ik met het feit dat het Hof de bepaling deels onverbindend verklaard, terwijl ze tegelijkertijd overweegt dat de wetgever bewust deze aanpassing heeft gemaakt. Dan zou je zeggen, niet onverbindend, maar alleen niet toepasbaar als een belastingplichtige een beroep doet op de directe werking van de (Zesde) Richtlijn. Het moet wel zo zijn dat het Hof geen enkele twijfel ziet voor de gekozen interpretatie van de (Zesde) Richtlijn. Ik denk dat er best ruimte was geweest voor prejudiciële vragen. Feit blijft, en dat is nu het belangrijkst, dat hiermee rekening gehouden moet worden in de adviespraktijk!

dinsdag 5 mei 2009

Tijd voor verordening?

De BTW regelgeving wordt volledig beheerst door de BTW Richtlijn van de EU. Daarnaast zijn er ook verordeningen op deelonderwerpen. Het werken met de Richtlijn kan in de praktijk heel lastig zijn, omdat een richtlijn een aanwijzing is voor een wetgever van een lidstaat. Door bepaalde manieren van interpreteren en doordat de Richtlijn voor belastingplichtigen 'directe werking' heeft, is de invloed echter veel groter. Naar mijn gevoel maakt deze gang van zaken dat sommige delen van de wetgeving voor de BTW volkomen onnodig zeer gecompliceerd zijn geworden. Zo meent de Belastingdienst op het moment dat verhuur geen verhuur is in de zin van de BTW als er diensten aan worden toegevoegd. Een onderwerp waar ik nog op terug kom. Ik behandel het ook in de onroerend goed lezing van september. In beginsel kun je vrij makkelijk afgrenzen wanneer verhuur vrijgesteld zou moeten zijn. Het wordt nu moeilijk, omdat we een Nederlandse wet hebben, die gebaseerd is op civiel recht en we hebben een Richtlijn met een interpretatie van het Hof van Justitie. Al die regels bij elkaar worden verschillend geïnterpreteerd en je hebt onnodige verwarring. Met een verordening zou deze verwarring zich niet voordoen. Vandaar mijn vraag of het niet tijd is voor een verordening op het gebied van de BTW. Ik kwam hierop toen ik las dat er prejudiciële vragen zijn gesteld of iets een levering of een dienst is.....