Posts tonen met het label aftrek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label aftrek. Alle posts tonen

woensdag 20 april 2011

0% tarief met onbekende afnemer

De Hoge Raad heeft een aantal dagen terug een uitspraak gedaan in een zaak van een drankenhandelaar die geleverd heeft aan afnemers in Engeland. De drankenhandelaar had het 0% tarief gehanteerd. Vast was komen te staan dat de afnemers niet degenen waren die op de facturen waren vermeld. Het ging om fraude, dus er was helemaal geen verwervings BTW aangegeven in Engeland. De inspecteur won de zaak voor de Rechtbank en het Gerechtshof. Bij de Conclusie van de AG werd het anders. Die concludeerde dat aan de voorwaarden was voldaan als vast kwam te staan dat de afnemer de BTW verschuldigd was in Engeland. De Hoge Raad gaat daar nu in mee. Ook als de indetiteit niet vast staat, kan worden vastgesteld dat er BTW verschuldigd is ter zake van de verwerving in Engeland. Dat moet nu worden onderzocht door een ander Hof waarnaar de zaak is verwezen. Van groot belang bij de beoordeling van deze zaak is de aanwijzing van de Hoge Raad, dat hier geen sprake is van een situatie waarbij de leverancier de identiteit van de afnemer verborgen heeft willen houden en dus betrokken is bij de fraude. Dan wordt alles anders. Dat is door het Hof van Justitie enige maanden geleden beslist in de zaak van een Duitse strafprocedure. Bij fraude wordt het anders, zowel bij de toepassing van het 0% tarief, als bij het recht op aftrek van voorbelasting!

donderdag 11 februari 2010

Verborgen suppleren

In het vorige bericht gaf ik aan dat een aangifte slechts één juist bedrag kent en dat te laat verrekenen van BTW kan leiden tot het verliezen van rechtsmiddelen. Je zou kunnen denken dat je de BTW altijd later kunt terug vragen op de aangifte zonder dat dit kan worden opgemerkt. In plaats van in het eerste kwartaal, vermeld je de terug te vragen of verrekenen BTW in een kwartaal later. Niemand die het merkt en al helemaal de Belastingdienst niet... Stel dat die Belastingdienst het echter wel opmerkt, bij een boekenonderzoek bijvoorbeeld, en de aftrek wordt geweigerd. Dan zou de Belastingdienst kunnen besluiten de afgetrokken BTW na te heffen in het tijdvak van de onjuiste aangifte. In het voorbeeld zou de aanslag dan een tijdvak hebben van 1 april t/m 30 juni. Het feit dat je eerder wellicht wel recht had op de aftrek, kan dan in bezwaar niet aan de orde komen. Dat is immers niet het tijdvak van de aanslag. Tegen de betaling van de eigen aangifte in bezwaar komen is ook al te laat. Zo kan verborgen suppleren een belastingplichtige zijn rechtsmiddelen ontnemen. Dit zijn zaken die meer en meer voorbij komen in de jurisprudentie en dus kennelijk meer voorkomen....

maandag 16 november 2009

Aftrek van BTW bij verkoop deelneming

Als een concern een deelneming deels of geheel afstoot door de verkoop van aandelen, komt de vraag op of de BTW aftrekbaar is die vermeld is op de facturen van de adviseurs bij de overname. Laten we uitgaan van een concern dat als geheel uitsluitend belaste prestaties verricht. Laten we er ook vanuit gaan dat de aandelen worden verkocht door een actief bedrijfsonderdeel, bijvoorbeeld een actieve (tussen) holding, die meer doet dan enkel aandelen houden. Er zijn dan twee redeneringen mogelijk. De BTW is aftrekbaar, want de diensten houden verband met de belaste prestaties die door het concern als geheel worden verricht, of de BTW is niet aftrekbaar, want de verkoop van aandelen is een activiteit die is onderworpen aan een vrijstelling. Al eerder is er in Nederlandse jurisprudentie het een en ander over gezegd. Het Hof van Justitie heeft zich onlangs over de vraag uitgelaten. Het Hof zegt dat de verkoop van aandelen een economische activiteit is. Die economische activiteit kan inhouden een overdracht van een onderneming, zoals in Nederland in artikel 31 is opgenomen. Dat laten we even buiten beschouwing. Anders is het een activiteit die is vrijgesteld in artikel 135-1-f Richtlijn, ofwel de vrijstelling voor verkoop van aandelen. Niettemin kan de BTW aftrekbaar zijn, “wanneer tussen de uitgaven voor de diensten in een eerder stadium en de economische activiteiten van de belastingplichtige in hun geheel een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestond". De verwijzende rechter moet nagaan of dat in dit feitencomplex aan de orde is. Dit betekent dat de BTW aftrekbaar kán zijn. Alle signalen moeten wel goed staan, moeiende holding, overigens belaste activiteiten en een rechtstreeks verband tussen de BTW en die activiteiten. Bedenk daarbij ook dat het hier ging om een verkoper (holding), die zelf ook belaste activiteiten verricht binnen concernverband, zoals management en dergelijke. Ik kom er later op terug hoe deze uitspraak zich verhoudt tot de Nederlandse praktijk.

woensdag 3 juni 2009

Aftrekrecht, liefst meer dan te betalen BTW...

Het Gerechtshof geeft in Hoger Beroep alsnog het recht op aftrek van alle voorbelasting aan een organisator van een multiculti festival. Bij deze zaak draaide het om de vraag of er wel sprake was van ondernemerschap. De inspecteur meende van niet, want geen entreegelden. De organisator van wel, want sponsoropbrengsten. Vermoedelijk zal het festival in belangrijke mate uit subsidies zijn gefund, zodat aftrekrecht een structurele teruggave positie betekende. Tenminste, als de subsidies niet te beschouwen zijn als vergoedingen in de zin van de Wet OB. Het Gerechtshof geeft de organisator gelijk. Ondernemerschap, want de commerciële opzet richt zich op het verwerven van sponsorgelden. Het interessante is nu, dat deze uitspraak een tijdvak betreft toen er nog in de wet stond: ...aftrek, voor zover de goederen en diensten worden gebezigd in het kader van de onderneming... Inmiddels staat daar: ...aftrek, voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen... De vraag is nu of alle voorbelasting direct te relateren is aan belaste handelingen (het werven van sponsors en het maken van reclame), of aan de algemene bedrijfsvoering (indien uitsluitend belaste prestaties). Zo niet, dan wordt het ondanks de uitspraak voor de tijdvakken na de wijziging in de wet toch weer anders. Aftrekrecht bepalen in dit soort situaties is een nagenoeg onmogelijke exercitie geworden. Eerst de onmogelijke vraag beantwoorden hoe het met ondernemerschap zit, vervolgens bepalen of de subsidies zijn te beschouwen als vergoedingen (ook niet altijd makkelijk), om daarna de hiervoor weergegeven vaststelling te maken. Drie stappen die moeilijker te nemen worden naar mate je meer van de BTW regelingen weet... Het goede nieuws is dat het eindresultaat héél interessant kan zijn, namelijk structureel geld terug ontvangen van de Belastingdienst! Na de zomer gaat één van de lezingen van Bennett over aftrekrecht!